Gavin Adema(Wasmeer), trainer aan het woord
- 28 mei
- 8 minuten om te lezen
Tien jaar lang stond Gavin Adema samen met zijn vriend en collega-trainer Martijn Donker aan het roer van Wasmeer 1. Tien jaar vol plezier, emotie, successen, teleurstellingen en vooral pure clubliefde. Hij zag spelers komen, doorgroeien, stoppen en soms zelfs na al die jaren nog steeds rondlopen binnen de selectie. Dag en nacht was hij bezig met zijn clubje, altijd in dienst van Wasmeer en altijd met het beste voor de spelersgroep voor ogen.
Maar na de nacompetitie valt voorlopig het doek over het trainershoofdstuk van Gavin Adema. Meer tijd voor het privéleven, zijn drukke werkzaamheden en simpelweg andere dingen doen in zijn vrije tijd. Want trainer zijn is tegenwoordig allang niet meer alleen op dinsdag en donderdag training geven en op zaterdag een wedstrijd coachen. Er komt zoveel meer bij kijken en dat vraagt enorm veel energie, tijd en toewijding.
Wasmeer neemt straks afscheid van een geweldige trainer, maar vooral van een betrokken clubman en een mens met een groot voetbalhart. Samen kijken we met Gavin terug op tien bijzondere jaren vol mooie herinneringen, lastige keuzes, hoogtepunten en moeilijke momenten. Ga lekker achterover zitten en veel leesplezier.
Hoi Gavin, Stel je eerst even voor.
“Gavin Adema, geboren op 5 november 1981 in Hilversum en nog steeds woonachtig in Hilversum. Ik ben werkzaam als biotechnicus aan de Universiteit van Amsterdam.”

Gavin, neem ons eens mee naar het begin. Waar begon jouw voetballeven als jeugdspeler en weet je nog wie jouw eerste trainer was?
“Alles is begonnen bij HVV De Zebra’s. Wie precies mijn eerste trainer was weet ik niet meer, maar leiders en misschien ook trainers waren toen Aalt van Beek en Dirk van Voorst.”
Heb je in de jeugd bij meerdere clubs gespeeld voordat je de overstap maakte naar het seniorenvoetbal?
“Van de F’jes tot en met de A ben ik eigenlijk altijd bij De Zebra’s gebleven, op één jaartje na. In de B-jeugd heb ik één seizoen bij ’t Gooi gespeeld. Daarna heb ik nog drie jaar in de senioren van De Zebra’s gevoetbald, voordat ik in het seizoen 2001/2002 de overstap maakte naar Wasmeer.”
Weet je nog wanneer jij je debuut maakte in het eerste elftal? Tegen wie was dat en onder welke trainer?
“Ik maakte mijn debuut op 16-jarige leeftijd. Tegen wie dat was weet ik niet meer, maar de trainer destijds was Henk Kap.”

Wanneer begon bij jou het gevoel te groeien dat je later trainer wilde worden? Was dat iets vanuit jezelf of heeft iemand jou daarin gestimuleerd?
“Ik was eigenlijk helemaal niet bezig met trainer worden. Wel trainde ik sinds mijn komst bij Wasmeer altijd een jeugdteam, terwijl ik zelf nog selectievoetbal speelde.”
Je stopte uiteindelijk als speler. Waar begon jouw trainersloopbaan precies en hoe kijk je terug op die eerste jaren? Welke teams heb je getraind voordat je hoofdtrainer van Wasmeer werd?
“Toen ik stopte met selectievoetbal ben ik eerst nog in een lager elftal gaan spelen, maar dat heeft niet lang geduurd. Martijn Donker haalde mij terug naar het eerste elftal. Hij was op dat moment assistent van Bert de Vries op de zondag. Dat pakte goed uit, want we promoveerden dat jaar naar de zondag tweede klasse. Daarna nam Bert de Vries afscheid en kwam Rob Hilbers als nieuwe trainer. Onder zijn leiding ging het minder goed en halverwege het seizoen vertrok hij. Martijn Donker zou het seizoen als interim-trainer afmaken en vroeg mij om dat samen met hem te doen. Dat was het begin van onze samenwerking. Zelf had ik daarvoor al bijna alle jeugdteams getraind.”

Volgens mij zijn jullie inmiddels al zo’n tien seizoenen hoofdtrainer van Wasmeer. Had je ooit gedacht dat dit avontuur zó lang zou duren?
“Nee, zeker niet. Maar achteraf is het misschien ook geen verrassing, omdat Martijn en ik elkaar al kennen sinds we kleine jongens waren. We komen uit dezelfde buurt en hebben later ook samen in verschillende elftallen gespeeld. We kennen elkaar door en door en geven elkaar de ruimte om goed te functioneren binnen een duo-trainerschap.”
Als je drie hoogtepunten uit jouw tijd als trainer van Wasmeer mag noemen, welke momenten schieten dan direct door je hoofd?
“In eerste instantie waar het allemaal begon, onze eerste klus als interim-trainers. De opdracht was om niet te degraderen. We stonden stijf onderaan met nog ongeveer tien wedstrijden te spelen, maar uiteindelijk deden we het zo goed dat we zelfs de nacompetitie ontliepen. Dat was voor het toenmalige bestuur ook direct de reden om ons de trainerscursus aan te bieden, zodat wij het jaar daarop officieel hoofdtrainer konden worden. Verder waren er natuurlijk nog veel hoogtepunten, zoals kampioenschappen en periodetitels.”

En tegenover hoogtepunten staan vaak ook moeilijke momenten. Welk dieptepunt uit jouw trainersperiode zal je altijd bijblijven en waarom?
“Dat was de verzwaarde degradatieregeling van drie jaar geleden. We werden tiende, wat normaal gesproken de laatste veilige plek is, maar dat jaar niet. We hielden nog vier ploegen onder ons, maar moesten toch de nacompetitie in. Daar troffen wij Altius, dat juist voor promotie mocht spelen. We verloren kansloos, de pijp was gewoon leeg.”
Heb je in die jaren weleens serieus overwogen om ergens anders als hoofdtrainer aan de slag te gaan? Waarom is dat uiteindelijk nooit gebeurd?
“Nee, daar heb ik eigenlijk nooit bij stilgestaan. Voor mijn gevoel is dit avontuur spontaan ontstaan. Ik weet bijna zeker dat als Martijn mij toen niet had gevraagd, ik nooit ergens zelfstandig hoofdtrainer was geworden, laat staan dat ik de cursus ervoor had gevolgd.”

Toen jij trainer werd, stonden er ook jongens in de selectie met wie je zelf nog had gevoetbald. Was het lastig om die knop om te zetten van ploeggenoot naar trainer?
“Voor mijn gevoel ging dat heel vloeiend. In mijn laatste jaar als speler was ik eigenlijk al een verlengstuk van de trainers. Niet veel later werden wij als interim-trainers aangesteld.”
Je hebt het amateurvoetbal in al die jaren flink zien veranderen. Hoe kijk jij naar de nieuwe generatie spelers en bijvoorbeeld het makkelijker afzeggen voor trainingen of wedstrijden?
“Het is zoals het is en je kunt het niet stoppen. Het gebeurt tegenwoordig bij bijna alle clubs en het is eigenlijk het nieuwe normaal geworden. Al geldt dat natuurlijk niet voor iedere speler.”
Hoe ga jij daar als trainer mee om? Kun je daarin begrip tonen of blijft dat als echte voetbalman toch aan je vreten?
“Het is geven en nemen, maar vooral ook communiceren. Je kunt alleen begrip voor elkaar tonen als je weet waarom iets zo is.”

Iedere kleedkamer heeft zijn types. Welke spelers zorgden in al die jaren voor de meeste humor en gekkigheid binnen de groep?
“Elke speler heeft zijn eigen karakter, maar Knabbel en Babbel zijn wel twee echte sfeermakers. Dan heb ik het over Mats de Jong en Jeffrey Hesta. Ook onze ‘gekke Griek’ is een fenomeen binnen de kleedkamer: Dimos Galinos.”
Jij werkte jarenlang intensief samen met Martijn. Wat maakte jullie samenwerking zo sterk en hoe vulden jullie elkaar aan, ook op momenten dat jullie het niet eens waren?
“Je moet elkaar de ruimte kunnen geven en dat kunnen wij goed. Gesprekken over speelwijze en trainingen gingen eigenlijk de hele week door. In negentig procent van de gevallen zaten wij op één lijn. Het ging meestal om kleine details waarin wij verschilden, maar uiteindelijk kwamen we er altijd uit. Heel soms hielden we allebei voet bij stuk en dan telde de mening van de teammanager of grensrechter mee, zodat er een meerderheid ontstond. De harde afspraak was dan wel: of het nou goed of slecht uitpakt, we komen er daarna niet meer op terug.”
Heeft het trainerschap jou ook als mens veranderd? Wat heb jij persoonlijk het meest geleerd in al die jaren?
“Ja, ik ben vast wel veranderd. Je komt steeds vaker in situaties terecht die terug blijven komen en daar leer je beter mee omgaan. Ik heb geleerd dat eerlijkheid het langst duurt, zeker in de voetballerij, al blijft dat soms lastig. Wel kun je ervoor zorgen dat je toegankelijk blijft voor spelers en altijd open blijft staan voor communicatie.”

Als jij deze gehele periode als trainer van Wasmeer zou moeten omschrijven, hoe zou je dat samenvatten?
“Dan denk ik meteen aan ons motto: plezier = prestatie. Als er plezier is, vindt iedereen het leuk. En als er prestaties zijn, vindt iedereen het ook leuk. Daardoor maak je vanzelf mooie herinneringen, worden moeilijke fases makkelijker overbrugd en ontstaat er ook meer begrip voor lastige keuzes.”
Je blijft gelukkig verbonden aan Wasmeer als een soort klankbord. Is voor jou al duidelijk hoe die rol eruit gaat zien?
“We moeten zien hoe dat gaat uitpakken. Ik zal er niet meer zijn op trainingsdagen, maar wel op wedstrijddagen. Dan ben ik gewoon onderdeel van de staf. Hoe dat precies gaat verlopen weet ik nu ook nog niet, maar daar komen we vast wel uit. En zo niet, dan zien we tegen die tijd wel hoe het verdergaat.”
Hoe hoop jij dat spelers, staf en mensen binnen de club later op Gavin als trainer zullen terugkijken?
“Dat maakt mij eigenlijk niet zoveel uit. De één vindt je een geweldige trainer en de ander vindt je een lul. Er zijn in die tien jaar heel veel mooie momenten geweest en daar was ik onderdeel van. Ik hoop vooral dat mensen binnen de club die momenten waarderen.”
En de vraag die veel mensen waarschijnlijk hebben: sluit je een terugkeer als trainer ergens in de toekomst echt uit, of blijft dat vuurtje altijd wel een beetje branden?
“Zoals ik er nu in sta: nee. Maar je weet het nooit.”

Denk jij dat trainers soms te veel geven aan een club en zichzelf daarin onderweg een beetje vergeten? Heb jij dat zelf ook weleens gevoeld?
“Dat weet ik wel zeker. In ons geval waren we er iedere dag mee bezig. Maar voor nu wil ik vooral ervaren hoe het is om doordeweeks niet meer op het veld te staan. Misschien krijg ik daar spijt van en misschien ook niet. Daar kom ik alleen achter door het daadwerkelijk te doen.”
Wat zou jij jonge spelers die aan het grote werk ruiken en te graag willen meegeven?
“Jonge spelers moeten geduld hebben, hoe lastig dat soms ook is. Daarnaast moeten ze vooral kritisch naar zichzelf blijven kijken. Als speler voel je vaak zelf goed aan of je de concurrentie al aankunt of dat je nog stappen moet maken. Wedstrijden spelen is op jonge leeftijd het allerbelangrijkste. Soms is het verstandiger om op een iets lager niveau te beginnen, zodat je veel minuten maakt en jezelf later alsnog op een hoger niveau kunt laten zien.”

En aan een jonge ambitieuze trainer, voor welke valkuil zou jij hem willen behoeden?
“Jonge trainers zijn vaak erg ambitieus en dat is alleen maar goed. Je wordt uiteindelijk beter door fouten te maken. Wel is het belangrijk om goed naar je team te luisteren en sterkhouders binnen de selectie mee te laten denken. Kijk vooral naar de kwaliteiten van je spelersgroep en naar wat zij aankunnen. Daarnaast moet je proberen om je eigen visie trainbaar en speelbaar te maken. Jij bent uiteindelijk de trainer, niet het publiek of de ouders langs de lijn. Met je eigen visie kun je soms onderuitgaan, maar het laat wel zien hoe jij naar voetbal kijkt. Als je dat kunt combineren met de kwaliteiten van je team, wordt het trainersvak alleen maar mooier.”
En dan het laatste woord voor jou, wil je nog iets zeggen?
“Ik heb een hele mooie en lange periode gehad. Tien jaar is echt een lange tijd. We hebben fantastische dingen meegemaakt: van trainingskampen en uitjes tot kampioenschappen. Maar één ding weet ik zeker: ik had het met niemand anders willen doen dan met mijn maatje Martijn Donker. Samen hebben we ontzettend veel tijd en energie gestoken in alles wat met voetbal te maken had en ik heb enorm veel van hem geleerd. Maat, ik hou van je en bedankt voor die prachtige jaren samen.”




Opmerkingen