Column, Rib's kijk op voetbalzaken
- 19 mrt
- 4 minuten om te lezen
Een seizoenlang vol blessureleed, wij van VMN vroegen aan René Ribberink hoe hij hier naar kijkt!

Het begint altijd onschuldig. Je opent de app, scrolt door de opstellingen en daar staat het weer: “geblesseerd”, “twijfelgeval”, “niet fit”, “lichte klachten”. Lichte klachten? Vroeger had je pas klachten als je voet de verkeerde kant op stond en je nog steeds zei: “Gaat wel, tape erom.”
Ik zat er laatst over na te denken. Hoe vaak was ík eigenlijk geblesseerd in mijn glorieuze voetbalcarrière? Het eerlijke antwoord: zelden tot nooit. Stonden met DVS in de KNVB-bekerfinale, mijn beide liezen waren helemaal na de kloten maar er werd gewoon gevoetbald. Verliezen met 2-1 en paar dagen daarna zat ik het ziekenhuis en ging ik onder het mes, pezen aan beide kanten werden doorgesneden en dan moest het goedkomen. Vrijdagmiddag na de kaakchirurg en dat werd een veldslag. Er uit trekken ging niet dus werden beide verstandkiezen in stukjes gehakt. Maar zaterdag met Hees 1 gewoon spelen tegen SEC. Mijn hele kop bonkte bij iedere stap en om de paar minuten moest ik bloed tuffen en niet een klein beetje ook maar er werd wel gevoetbald. Vroeger hadden we allemaal wel eens een enkel die dik was, een knie die kraakte of een hamstring die aanvoelde als een te strak gespannen waslijn. Maar geblesseerd afmelden? Nee joh. Dan speelde je gewoon. Of je werd op zondagmorgen wakker, kon nauwelijks lopen, maar zodra je de kleedkamer binnenstapte en je maten zag was je ineens weer “wedstrijdfit”. Effe de drank eruit lopen van de zaterdagavond en gaan met die banaan.
En nu? Nu lijkt het soms alsof er meer spelers op de blessurelijst staan dan op het wedstrijdformulier. Trainers beginnen hun bespreking tegenwoordig niet met de tactiek, maar met een medisch bulletin. “We missen er vandaag zeven. Twee hamstrings, een lies, een enkel, een kuit, iemand die ‘iets voelde’ bij het opstaan en eentje die ‘het niet wil forceren’.” Niet wil forceren. Dat is ook zo’n moderne klassieker. Man, man, wat ben ik blij dat ik geen trainer meer ben.
Altijd ook mooi om te lezen bij verschillende clubschrijvers of trainers, die beginnen bij een nederlaag of gelijkspel de eerste regels helemaal te wijten aan de spelers die er niet zijn. Nou, ik heb nieuws, een speler die er niet is kan geen wedstrijd voor je winnen, zo simpel is dat! Hou daar eens mee op! Ook lekker voor de vervangers die hun plaats hebben ingenomen.
Neem zo’n zaterdag als een standaard team precies met elf man vertrekt. Elf! Nu is iedereen helemaal van slag af dat ze maar 11 man hebben. Ze willen nu met 16 a 17 spelers op pad. Vroeger mocht je maar twee wissels inbrengen en dat meer als genoeg! Waarom? Er was bijna nooit iemand geblesseerd! En niemand maakte er een grote zaak van als er maar 12 waren. Lekker juist, maar 1 wissel, wist je tenminste dat je 90% kans had om de hele wedstrijd te spelen. Nu heb je er soms niet eens genoeg om een partijtje vier tegen vier te doen op de training omdat er spelers geen risico willen nemen. Nou daar kwam je vroeger niet mee weg. Als je niet voluit kom trainen, dan kon je ook niet spelen!
En dan die kruisbandblessures. Het lijkt wel alsof ze tegenwoordig standaard bij het seizoen horen, net als de winterstop en de teamfoto. Je hoort het zo vaak dat je bijna denkt dat het een verplichte passage is: “Welkom bij de selectie, hier is je trainingspak en ergens in maart scheurt er nog iets af in je knie.”
Ligt het aan het kunstgras? Dat is de vraag die altijd terugkomt. Het veld krijgt vaak de schuld. En eerlijk is eerlijk, soms voelt zo’n kunstgrasmat ook alsof je op een uit de kluiten gewassen deurmat speelt. Maar of dat nou de grote boosdoener is? Of is het toch iets anders?
Misschien zit het ‘m wel in alles een beetje. De warming-up die vooral bestaat uit een paar keer met de armen zwaaien en één sprintje “om het gevoel te krijgen”. De cooling-down die standaard wordt overgeslagen omdat de kantine lonkt en de eerste schaal bitterballen al op tafel staat. De voeding die bestaat uit een mix van sportdrank, kapsalon en “morgen begin ik echt gezonder”.
En dan hebben we het nog niet eens over de agenda’s van tegenwoordig. Werk, studie, weekendjes weg, festivals, verjaardagen van de kat van de buurvrouw – er is altijd wel een reden om “even over te slaan”. Vroeger zei je alleen af als je echt niet kon lopen. Nu is “twijfel” al voldoende om thuis op de bank te blijven, met een dekentje en de samenvattingen.
Begrijp me niet verkeerd, het is ook een andere tijd. Het spel is sneller, intensiever, de belasting hoger. En ja, misschien zijn we ook gewoon wat bewuster geworden van blessures. Dat is op zich alleen maar goed. Maar soms mis je toch een beetje die ouderwetse mentaliteit. Dat je gewoon speelde, omdat je team op je rekende. Dat je je enkel intapete alsof je een kerstcadeau inpakte en zei: “Komt goed.”
Mike Ligtvoet heb ik een aantal jaren bij Vliegdorp mogen trainen, brak zijn sleutelbeen. Dokter zei dat die er minimaal 4 tot zes weken uitlag. Mike deed even 1 week rustig aan en stond de tweede wedstrijd gewoon weer in het veld, dus ze zijn er nog wel hoor!
Misschien zijn we niet per se brozer geworden, maar wel iets voorzichtiger. En misschien, heel misschien, ook een tikje gemakzuchtiger.
Dus bij deze een klein signaal, met een knipoog. Aan de jeugd van tegenwoordig: het is echt niet erg om een keer een pijntje te hebben. Dat hoort erbij. En ja, soms moet je verstandig zijn en rust nemen. Maar er zit ook nog iets tussen “volledig fit” en “ik meld me af”.
En voor de rest? Gewoon weer met z’n allen het veld op. Met elf, twaalf of desnoods tien en een halve. Want uiteindelijk is er maar één wondermiddel tegen al die blessureverhalen: spelen. Gewoon spelen. En daarna klagen in de kleedkamer dat alles pijn doet. Zoals het hoort.
Ik loop 3 per week en ik voetbal 3 per week nog. En neem van mij aan dat alles pijn doet als ik op sta uit de stoel of uit mijn bed kom. Maar ik heb goed nieuws, knop om en gewoon weer gaan. Goede warming-up doen en een aantal basis oefeningen voor je benen/liezen en vooral niet zeiken of klagen, dan loop je de pijntjes er zo uit!
Rib



Opmerkingen