top of page

Paul Richard(De Posthoorn), trainer aan het woord

  • 21 minuten geleden
  • 13 minuten om te lezen

Paul Richard begint aan zijn eerste klus als hoofdtrainer: “Voetbal is het mooiste spel ter wereld, dat moet je als trainer niet verknallen”


Voor Paul Richard begint dit seizoen een nieuw hoofdstuk in zijn trainersloopbaan. Na jarenlang actief te zijn geweest binnen de jeugdopleiding maakt de geboren en getogen Amersfoorter de overstap naar het seniorenvoetbal. Bij De Posthoorn staat hij voor het eerst als hoofdtrainer voor een eerste elftal.

Een nieuwe omgeving, een andere verantwoordelijkheid en vooral een uitdaging waar Richard naar uitkijkt. Voetbal Midden Nederland zocht hem op aan het begin van zijn eerste seizoen op De Bokkeduinen en maakte uitgebreid kennis met de trainer én de persoon Paul Richard.

Paul, allereerst: stel jezelf eens voor aan de volgers van Voetbal Midden Nederland?


“Op 15 september 1983 ben ik geboren in Amersfoort en ik woon daar nog steeds. Een echte Keientrekker dus. Hoofdtrainer van De Posthoorn is op dit moment de enige functie die ik binnen het voetbal bekleed.”


Dertien jaar lang was je actief als jeugdtrainer en hoofd jeugdopleiding bij CJVV en AFC Quick 1890. Nu sta je voor het eerst als hoofdtrainer voor een seniorenselectie. Hoe bevalt die overstap en waarin merk je dat het werken met senioren anders is?


“Ik merkte aan mezelf dat ik toe was aan een andere uitdaging. De afgelopen vijf jaar was ik trainer van CJVV O23-1 en daar was het mijn taak om zoveel mogelijk spelers aansluiting te laten vinden bij de A-selectie. Dat gaf veel voldoening, maar tegelijkertijd merkte ik dat ik deze spelers nog verder kon helpen in hun ontwikkeling, helemaal op een hoger niveau. De stap naar een eerste elftal was voor mij daarom een logische.

Afgelopen seizoen heb ik bovendien stage gelopen bij het eerste elftal van SDZ in Amsterdam, dus daar heb ik al enige ervaring met senioren kunnen opbouwen.

Voetbalinhoudelijk vind ik het verschil eigenlijk niet eens zo groot. Uiteindelijk gaat het erom dat je spelers beter maakt en ervoor zorgt dat ze optimaal kunnen renderen. Dat kan bij iemand van 35 jaar net zo goed als bij iemand van 18.

Wat natuurlijk wel anders is, is dat je in het seniorenvoetbal te maken hebt met spelers die zich in verschillende levensfases bevinden. Een speler die bijvoorbeeld net vader is geworden, zal misschien een keer extra een training moeten overslaan. Geen probleem. Aan mijn inlevingsvermogen zal het in ieder geval niet liggen.”


Je eerste officiële klus als hoofdtrainer. Was je volgens jezelf al eerder klaar voor een eerste elftal, of was het een bewuste keuze om langer binnen de jeugdopleiding actief te blijven?


“Er is maar één eerste keer. Doe je het de eerste keer niet goed, dan is een tweede keer niet beloofd.

Was ik al eerder klaar om een eerste elftal te trainen? Ik denk het wel. Maar het was een bewuste keuze om eerst nog meer ervaring op te doen als jeugdtrainer, zodat mijn rugzak goed gevuld zou raken.

Daarnaast heb ik een waanzinnig mooie tijd gehad als jeugdtrainer en heb ik mezelf ieder jaar verder kunnen ontwikkelen. Ik denk dat juist die jaren ervoor zorgen dat de kans van slagen nu alleen maar groter is.”


Dan komt De Posthoorn op je pad. Hoe verliep die kennismaking? Was er direct een klik of moest jij de club eerst overtuigen van jouw voetbalideeën?


“Het eerste gesprek was met de technische commissie. In diezelfde week ben ik vervolgens naar een oefenwedstrijd van De Posthoorn gaan kijken. Een week later volgde een gesprek met een afvaardiging van de spelersgroep.

In beide gesprekken was er sprake van een wederzijdse klik. Ik heb aan de hand van wedstrijdbeelden van mijn vorige team laten zien hoe ik wil voetballen en dat werd goed ontvangen.

De spelers hadden zelf ook een profiel opgesteld van het soort trainer dat zij graag voor de groep wilden hebben. Ik denk dat ik behoorlijk goed binnen dat profiel pas.

Voordat we verdergaan met de trainer Paul Richard: neem ons eens mee naar jouw eigen jaren als voetballer. Hoe zag die carrière eruit?


“Als kleine jongen ben ik begonnen bij CJVV. Daarna heb ik in de jeugd ook nog gespeeld bij AFC Quick 1890 en Roda’46. Bij de senioren kwam ik uit voor SDC Putten, CJVV, Veensche Boys en AFC Quick 1890.

Van jongs af aan wist ik eigenlijk vrij goed wat er op verschillende posities werd gevraagd. Ik heb zelf als centrale verdediger, middenvelder én spits gespeeld. Dat ik ervaring heb opgedaan in iedere linie kan ik nu enorm goed gebruiken als trainer en coach.”


Trainers nemen vaak bewust of onbewust dingen mee van coaches die zij onderweg zijn tegengekomen. Welke trainer heeft op jou de meeste indruk gemaakt?


“De coach die verreweg de meeste indruk op mij heeft gemaakt is Eric Speelziek. Het grappige is dat ik niet eens onder hem heb gevoetbald. Ik heb als speler juist tegen zijn ploegen gespeeld.

Of het nou tegen het toenmalige VV Rheden was of tegen DTS’35 uit Ede: we werden echt van het kastje naar de muur gestuurd.

Met Veensche Boys waren we in het seizoen 2006/2007 verwikkeld in de strijd om het kampioenschap met zijn DTS’35 en we hadden tegen hen eigenlijk helemaal niets in te brengen. Met hangen en wurgen en een flinke portie Nijkerkerveense vechtlust wonnen we thuis wonderbaarlijk met 1-0 en uit speelden we met 1-1 gelijk.

In beide wedstrijden wist ik te scoren en uiteindelijk werden wij kampioen. Maar ik herinner me nog heel goed dat ik na zo’n wedstrijd in de kleedkamer voor me uit zat te staren met de gedachte: wat is hier in vredesnaam gebeurd?

Ondanks dat het inmiddels bijna twintig jaar geleden is, heb ik de speelwijze van Speelziek nog altijd scherp op mijn netvlies staan. Vanaf dat moment wist ik eigenlijk: als ik ooit trainer word, dan wil ik net zulk dominant voetbal spelen.”


Dus eigenlijk heeft een trainer waartegen je speelde mede bepaald wat voor trainer je zelf wilde worden?


“Absoluut. Daarnaast heb ik veel gehad aan het contact met KNVB-docenten als David Vecht, Arnold Wubs en Joël Titaley. Door tijdens mijn cursussen regelmatig met hen te sparren, kwam ik soms tot andere inzichten. Die inzichten heb ik vervolgens weer in mijn eigen werkwijze kunnen implementeren.”


Iedere trainer heeft bepaalde normen en waarden waar niet aan getornd wordt. Stel dat jouw spelers bij De Posthoorn de kleedkamer binnenlopen en er hangen drie zinnen op de deur. Welke zijn dat?


“De eerste zou zijn: niemand is groter dan het team. Hoe goed je ook bent als individuele speler, uiteindelijk heb je elkaar nodig.

De tweede: winnen en verliezen doen we samen. Wees daarbij altijd kritisch op je eigen inbreng. Dat geldt overigens niet alleen voor spelers, maar net zo goed voor mij als trainer en coach.

En de derde: ga het veld op en maak plezier. Heel veel spelers stappen het veld in met de druk om vooral geen fouten te maken. Ik wil juist spelers zien die lef tonen, initiatief nemen en hun creativiteit durven te gebruiken.”

Dat zegt waarschijnlijk ook veel over de trainer die jij zelf wilt zijn. Hoe belangrijk zijn jouw eigen ervaringen als speler daarin?


“Heel belangrijk. Ik probeer in alles de trainer te zijn die ik zelf graag zou willen hebben, zowel binnen als buiten het veld.

Ik weet nog heel goed waar ik me als speler enorm aan kon storen en tegelijkertijd ook wat ik juist heel prettig vond bij een trainer. Dat neem ik allemaal mee in mijn eigen manier van werken.

De spelers van De Posthoorn zullen dus geen coach aantreffen die in de eerste minuut van de rust meteen het woord opeist. Ze krijgen ook geen coach met ellenlange besprekingen waarbij 95 procent van de spelers na twee minuten alweer naar zijn schoenveters zit te staren.

En ze krijgen ook geen trainer die een Y-vorm uitzet voor pass- en trapoefeningen.”


We kunnen dus voorzichtig concluderen dat die Y-vorm niet snel op trainingscomplex De Bokkeduinen zal verschijnen. Maar hoe zou je jezelf dan wél omschrijven: ben je vooral peoplemanager, tacticus of een combinatie daarvan?


“Een combinatie van beide, denk ik. Ik ben bijvoorbeeld erg gecharmeerd van trainers als Zidane en Ancelotti. Het respect dat al die grote sterren voor hen hadden, vond ik indrukwekkend om te zien.

Wat er afgelopen seizoen bij Real Madrid is gebeurd, was Zidane of Ancelotti volgens mij nooit overkomen.

Ik ben ervan overtuigd dat je veel meer uit een spelersgroep kunt halen wanneer je investeert in de menselijke relatie met spelers dan wanneer je alleen maar kiest voor ijzeren discipline.”


Maar de tacticus Richard is er dus nadrukkelijk óók?


“Zeker. Op tactisch gebied helpt het enorm dat we dit seizoen bij De Posthoorn met een VEO-camera gaan werken. Ik analyseer graag wedstrijdbeelden en van die beelden maak ik iedere week clips.

Daarmee kan ik spelers heel gericht laten zien wat er goed gaat, maar ook waar nog verbetering mogelijk is. Daarnaast probeer ik de groep altijd zo goed mogelijk voor te bereiden op de eerstvolgende tegenstander.”


Iedere trainer praat tegenwoordig over een eigen voetbalvisie, maar uiteindelijk moet die op het veld zichtbaar worden. Wat voor voetbal wil jij met De Posthoorn spelen?


“Ik hanteer duidelijke uitgangspunten in balbezit en iedereen kent zijn taak wanneer we druk zetten. Gedurende het seizoen proberen we die speelstijl er steeds verder in te slijpen, totdat bepaalde zaken automatismen worden.

Maar binnen die afspraken krijgen spelers juist veel vrijheid om hun creativiteit te gebruiken. Ze mogen bijvoorbeeld ook van positie wisselen. Ik wil geen spelers die als robots alleen maar uitvoeren wat vooraf is afgesproken.”

Je hebt daarbij een opvallend persoonlijk doel uitgesproken: spelers moeten aan het einde van het seizoen kunnen zeggen dat ze misschien wel het leukste voetbaljaar uit hun carrière hebben gehad. Waar komt dat vandaan?


“Aan het einde van het seizoen wil ik inderdaad dat de spelers het leukste seizoen uit hun voetballeven hebben gehad.

Ondanks dat ik als speler meerdere promoties heb mogen vieren, heb ik nauwelijks genoten van het voetbal zelf. Vaak was het ontzettend hard werken om tegenstanders die makkelijker voetbalden toch de baas te kunnen zijn.

Natuurlijk geeft het enorm veel voldoening wanneer je promoveert en hard werken is absoluut een kwaliteit. Maar puur van het voetbal zelf heb ik destijds eigenlijk te weinig genoten.

Dat is voor mij nu echt een drijfveer als trainer. Ik wil mijn spelers juist dát kunnen bieden: presteren, maar tegelijkertijd ook genieten van de manier waarop je met elkaar voetbalt.”


Je hebt aangegeven dat de spelersgroep je positief heeft verrast. Heb je de selectie daarnaast nog kunnen versterken vanuit je eigen netwerk? En heb je het gevoel dat deze groep breed genoeg is om een lang seizoen in de vierde klasse aan te kunnen?


“Aan het einde van vorig seizoen zijn enkele spelers vertrokken. We hebben daarna goed gekeken naar de posities in het veld waarop we nog wat dun bezet waren. Ik denk dat we erin zijn geslaagd om die plekken goed op te vullen en ik ben zeer te spreken over de groep die er nu staat.

Het heeft voor mij totaal geen meerwaarde om spelers te halen om het halen. Ik heb bijvoorbeeld niets aan zes centrale verdedigers. Daarnaast weet ik hoe belangrijk de dynamiek en hiërarchie binnen een spelersgroep zijn. Als je heel veel nieuwe spelers binnenhaalt, kan dat ook voor frictie zorgen binnen een groep. Daar moet je dus goed over nadenken.”


De stap van de vijfde naar de vierde klasse is gemaakt. Als je naar de competitie kijkt, wacht er een pittige, maar ook prachtige indeling met veel stads- en streekderby’s. Hoe kijk jij naar die uitdaging?


“Op het eerste gezicht ben ik tevreden over de indeling. De nummers drie, vier en vijf van vorig seizoen, Patria, Altius en Saestum zijn in een andere poule ingedeeld. Dat lijkt op voorhand dus een gunstige uitkomst.

Voor de rest is het toch vooral afwachten. Ik ken de tegenstanders voorlopig alleen van naam. Waar het mogelijk is, zal ik tijdens deze voorbereiding tegenstanders gaan bekijken.

Dat er nog drie andere Amersfoortse clubs in onze competitie zijn ingedeeld, maakt het natuurlijk extra leuk. Bij dat soort wedstrijden komt er meer publiek kijken en ook na afloop blijft het vaak nog lang gezellig.”


Is er vanuit De Posthoorn een concrete doelstelling uitgesproken? Of past bij de club vooral de ambitie om zich de komende jaren te ontwikkelen tot een stabiele vierdeklasser?


“De wens vanuit de club is om de komende jaren uit te groeien tot een stabiele vierdeklasser. Zelf heb ik eigenlijk niet zoveel met doelstellingen.

Ik probeer iedere training en iedere wedstrijd het maximale eruit te halen. Na afloop van het seizoen kan iedereen vervolgens zelf beoordelen of dat, gezien de omstandigheden, naar tevredenheid is gegaan.”


De Posthoorn beschikt niet over een eigen jeugdopleiding. Voor iemand met jouw achtergrond zou je denken dat dit misschien een gemis is. Hoe kijk jij daarnaar? Moet de club daardoor ook creatiever zijn in het aantrekken én behouden van spelers?


“Er is natuurlijk niets mooiers dan zoveel mogelijk zelfopgeleide spelers in je eerste elftal te hebben. Ondanks dat De Posthoorn geen jeugdopleiding heeft, spelen er wel heel veel jongens in het team die een enorme binding met de club hebben.

We hebben een aantal spelers die hoger zouden kunnen spelen dan de vierde klasse, maar die vanuit clubliefde niet meer voor een andere vereniging willen uitkomen. Wat dat betreft is dat een geruststellende wetenschap.

Aan mij nu de taak om een steentje bij te dragen aan het toch al goede imago dat De Posthoorn de afgelopen jaren heeft opgebouwd. Het is zaak dat binnenkort iedereen weet dat er op sportpark De Bokkeduinen aantrekkelijk voetbal wordt gespeeld én dat het nergens zo gezellig is als bij De Posthoorn.

Als dat lukt, wordt de club vanzelf ook interessanter voor spelers van buitenaf.”

De voorbereiding is inmiddels begonnen en dinsdag staat de eerste oefenwedstrijd op het programma, gevolgd door het AVK. Hoe ga jij zo’n eerste wedstrijd in? Staat het geven van zoveel mogelijk speelminuten centraal, of wil je met het oog op de eerste AVK-wedstrijd tegen AFC Quick 1890 al bepaalde spelers veel samen laten spelen?


“We hebben in vergelijking met andere clubs een wat smallere selectie. Daarnaast zijn er op dit moment nog een aantal spelers afwezig, dus voorlopig is het een beetje roeien met de riemen die ik heb.

Gelukkig staat onze eerste competitiewedstrijd pas op 19 september gepland. We hebben dus nog zat tijd om ons goed op de competitie voor te bereiden.”


En dan het AVK. Uitgerekend AFC Quick 1890, één van jouw oude clubs, komt als eerste tegenstander uit de koker. Die loting had volgens mij voor jou niet mooier gekund?


“De loting had voor mij niet beter gekund. Ik hoopte op Quick als tegenstander en het wérd Quick.

Ik heb een enorm fijne tijd gehad bij die club en kijk ernaar uit om een hoop oude bekenden weer te treffen. Hopelijk kunnen we met De Posthoorn voor een verrassing zorgen.”


Het AVK is al jarenlang een begrip binnen het Amersfoortse voetbal. Jij hebt het toernooi als speler meerdere keren meegemaakt én gewonnen. Hoe kijk jij er nu als hoofdtrainer tegenaan? Is het onderdeel van de voorbereiding of komt er bij het AVK toch iets anders bij kijken?


“Ik beschouw het AVK absoluut niet als een aantal oefenwedstrijden. Het gaat om prestige. Je speelt vaak voor meer toeschouwers dan tijdens competitiewedstrijden en dan wil je jezelf natuurlijk laten zien.

Als speler heb ik in de oude stijl het AVK twee keer gewonnen. Destijds werd het toernooi nog aan het einde van het seizoen gehouden en werd het niet altijd even serieus genomen.

In de nieuwe stijl heb ik het AVK eveneens twee keer gewonnen. Zowel met CJVV als met Quick wisten we in de finale van Hoogland te winnen.

Ik weet dus wat het toernooi betekent en kijk ernaar uit om het nu voor het eerst als hoofdtrainer mee te maken.”


Een eerste seizoen als hoofdtrainer betekent automatisch dat je ook situaties gaat meemaken die nieuw voor je zijn. Waar ben je zelf het meest benieuwd naar?


“Het meest benieuwd ben ik naar het niveau van de vierde klasse en dan met name naar het tactische gedeelte.

In de derde divisie van de O23-teams speelden best veel goed voetballende ploegen. Als coach word je dan uitgedaagd om tijdens wedstrijden met een antwoord te komen. Ik hoop dat ik dat in de vierde klasse ook ga tegenkomen, want uiteindelijk maakt juist dat je een betere trainer.”


Je krijgt daarnaast voor het eerst volledig te maken met keuzes rondom een seniorenselectie. Elf spelers beginnen, de rest niet. Verwacht je dat juist het managen van teleurstellingen een belangrijk leerproces wordt?


“Daar ben ik zeker benieuwd naar. Ik wil proberen iedere speler betrokken te houden bij het team.

Je kunt als coach maar elf spelers opstellen, dus er zullen altijd teleurgestelde spelers zijn. Bij senioren zijn die mogelijk wat mondiger dan de jeugdspelers die ik voorheen heb getraind.

Het wordt voor mij een mooie uitdaging om ervoor te zorgen dat ook die spelers enthousiast en betrokken blijven bij het team.”

Jouw achtergrond ligt voor een groot gedeelte in het opleiden van spelers. Denk je dat je de ervaring als hoofd jeugdopleiding ook kunt gebruiken bij een eerste elftal? En blijft ontwikkelen en bouwen aan een systeem voor jou belangrijker dan puur resultaatvoetbal?


“De rol van hoofd jeugdopleiding staat in mijn optiek eigenlijk wel los van die van trainer van een eerste elftal. De ervaring die ik als trainer van CJVV O23-1 heb opgedaan, kan ik daarentegen wél heel goed gebruiken.

Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat wanneer je tijdens trainingen veel investeert in het ontwikkelen van een systeem en de daarbij behorende spelprincipes, je daarmee uiteindelijk ook de kans op een goed resultaat vergroot.”


Wanneer kun jij na dit eerste seizoen met een tevreden gevoel terugkijken? Is dat alleen wanneer De Posthoorn zich handhaaft, of kijk jij vooral naar de ontwikkeling die de ploeg gedurende het seizoen heeft doorgemaakt?


“Aan het einde van het seizoen moeten de spelers vooral plezier hebben gehad in hetgeen wat ze tijdens trainingen en wedstrijden hebben gedaan. Dat vind ik het belangrijkste.

Voetbal is het mooiste spel ter wereld en dat moet je als trainer dan ook niet verknallen.”


Dat plezier komt bij jou voortdurend terug. Betekent dit ook dat er trainingsmethodes zijn waarvan jij bewust zegt: daar doe ik niet aan mee?


“Absoluut. Voor mij heeft het bijvoorbeeld geen meerwaarde om de Verheijen-methode te hanteren. Uit mijn eigen ervaring weet ik dat spelers daar helemaal niets aan vinden.

Wellicht dat je er conditioneel een heel klein percentage voordeel uit kunt halen, maar dat staat voor mij in schril contrast met het plezier dat je spelers ermee ontneemt.

Hetzelfde geldt voor bepaalde pass- en trapvormen die op internet rondgaan, zoals die van Alonso of Simeone. Het gaat nergens over. Het is dodelijk saai om uit te voeren en je team gaat er naar mijn mening niet beter door voetballen.

Op dit niveau heb je twee keer per week anderhalf uur training. Die tijd benut ik veel liever door teamtactisch te trainen en bovenal plezier te hebben.”


De Posthoorn is een kleine en hechte vereniging. Vind jij het belangrijk dat spelers na een wedstrijd ook zichtbaar zijn in de kantine en contact hebben met supporters en vrijwilligers? Hoort dat voor jou bij het amateurvoetbal?


“Dat De Posthoorn een warme en hechte club is, heb ik inmiddels al mogen ervaren.

Het was op een doordeweekse dag ergens begin juni. Er werd niet meer getraind en de technische commissie en ik waren in gesprek met een potentiële nieuwe speler. Op dat moment waren wij de enigen op het sportpark.

Na verloop van tijd stonden er buiten ineens zeker twintig mensen te wachten totdat ons gesprek afgelopen was. Wat bleek? Zij wilden de kantine in om de oefenwedstrijd tussen Nederland en Algerije te kijken.

Op dat moment realiseerde ik me echt dat De Posthoorn een familieclub is, waarbij de kantine als een soort huiskamer wordt beschouwd.”


Dan zit je als trainer bij zo’n club waarschijnlijk wel op je plek?


“Zeker. Zelf heb ik best een hoge ‘wijngrens’, dus wat dat betreft pas ik ook buiten het veld goed bij De Posthoorn.

Ik vind het belangrijk dat iedere speler na afloop blijft hangen. Met de ervaringen die ik tot nu toe bij de club heb, verwacht ik dat dit geen enkel probleem zal zijn.”


Tot slot even helemaal weg van het voetbal. Wanneer Paul Richard onverwacht een vrije zaterdag of zelfs een heel weekend heeft, waar kunnen we hem dan tegenkomen?


“Als ik een weekend vrij heb, vind ik het heerlijk om met mijn vriendin een stedentrip te maken of een weekendje weg te gaan met vrienden.

Verder heb ik de laatste tijd veel aan hardlopen gedaan. Afgelopen april heb ik zelfs een marathon gelopen. Niet dat ik nou kan zeggen dat hardlopen echt een hobby van me is, maar je moet toch wat doen om een beetje fit te blijven.”

Opmerkingen


bottom of page