Column, Robyn de Boer
- 30 jan
- 3 minuten om te lezen
De klik is er… of toch niet?
Dit seizoen is er sprake van een opvallende exodus onder trainers. Verspreid over de competities stoppen trainers, vertrekken zij na één seizoen of zien zij hun dienstverband zelfs voortijdig beëindigd worden. De redenen lopen uiteen, van toenemende druk en stress tot verkeerde keuzes of voortschrijdende inzichten bij club en trainer. Feit is dat continuïteit op de trainersbank steeds minder vanzelfsprekend lijkt.
Theorie en praktijk, twee verschillende competities.

In het voetbal liggen theorie en praktijk vaak verder uit elkaar dan een linksback en rechtsbuiten in blessuretijd.
In de theorie klopt alles; goede gesprekken, een positieve klik, dezelfde visie, dezelfde ambities. Bestuur en trainer zitten op één lijn, de handdruk is stevig en de toekomst oogt veelbelovend.
We kijken ernaar uit.
Dat is de theorie.
Maar dan begint de praktijk. En die laat zich niet vangen in beleidsplannen, PowerPoints of mooi geformuleerde zinnen op papier. Dan blijken karakter, communicatie, timing, aandacht, een arm om de schouder of juist duidelijke grenzen soms iets heel anders te zijn dan vooraf bedacht.
En precies daar ontstaat een vraag die steeds vaker terugkomt;
wanneer is een club eigenlijk tevreden over een trainer?
Verwacht men een trainer met een duidelijke visie, of juist iemand die zich volledig voegt naar bestaande ideeën?
Moet elke keuze binnen de selectie tot in detail worden uitgelegd aan anderen, liefst ondersteund door een whiteboard vol pijlen, strepen en schema’s?
Moet een wedstrijdbespreking een uur duren om serieus genomen te worden, of kan vijf minuten soms net zo effectief zijn?
En hoe ga je om met de realiteit van het amateurvoetbal?
Met spelers die tijdens de competitie op vakantie gaan.
Die carnaval vieren, een festival bezoeken of andere prioriteiten stellen.
Is dat reden voor begrip, een schouderklopje en vooral meebewegen? Of vraagt het juist om het stellen van grenzen, ook als dat schuurt?
Wat wordt er eigenlijk verstaan onder grensoverschrijdend gedrag van een trainer?
Is duidelijk zeggen waar het op staat fout?
Mag er nog geroepen worden, of is “volgende keer beter” het enige geaccepteerde antwoord?
En wanneer is betrokkenheid bevlogenheid en wanneer wordt het gezien als te veel?
Dan zijn er de resultaten.
Is drie keer op rij verliezen, met een waslijst aan blessures, een legitieme reden om afscheid te nemen?
Of zegt dat meer over omstandigheden dan over kwaliteit?
En hoe zwaar wegen verwachtingen als die vooraf nooit volledig zijn uitgesproken?
Het gaat hierbij niet om de schuldvraag.
Niet om trainer versus selectie of bestuur.
Niet om gelijk of ongelijk.
De kern zit vaak ergens anders.
Steeds vaker wordt er snel afscheid genomen van trainers. Dat roept de vraag op of de verwachtingspatronen simpelweg te hoog liggen. Of misschien niet te hoog, maar niet parallel lopen aan wat in het sollicitatiegesprek is besproken. Wat daar werd uitgesproken, blijkt in de praktijk soms iets heel anders te betekenen.
Misschien ligt de oplossing niet in nóg betere gesprekken, maar in anders kijken.
Waarom zou je met de laatste twee of drie kandidaten niet eens gaan kijken hoe iemand training geeft?
Niet als controle, maar als scouting.
Dat doen we tenslotte ook bij spelers.
Zie hoe iemand communiceert.
Hoe hij corrigeert.
Hoe hij motiveert.
Hoe hij omgaat met weerstand, met verschillen, met individuen én met de groep.
Een goed verhaal is overtuigend.
Maar een trainer is geen spreker, geen beleidsstuk en geen PowerPoint.
Een trainer is iemand die werkt met mensen, emoties, ego’s, beperkingen en verwachtingen elke week opnieuw.
Misschien moeten we daarom accepteren dat theorie en praktijk nooit volledig samenvallen.
Maar wel proberen ze dichter bij elkaar te brengen.
Door eerlijkere verwachtingen, meer wederzijds begrip en minder haastige conclusies.
Want uiteindelijk willen clubs en trainers hetzelfde;
ontwikkeling, plezier, resultaat en stabiliteit.
Alleen spelen ze soms in een andere competitie.



Opmerkingen